donderdag 29 oktober 2009

Morele kleuroefeningen van Audrey McAllan

De Morele kleuroefeningen

Bronnen: Hoofstuk 8, "Sleep" van Audrey MacAllan en de website van Joep Eikenboom: http://vo-extrales.blogspot.com/

Deze schilderoefeningen zijn niet eerder geschikt dan vanaf het twaalfde levensjaar, wanneer in klas 6 de chronologische geschiedenis wordt geïntroduceerd. In deze periode ontwaakt voor het eerst de gewaarwording van het eigen skelet in het bewustzijn.

Spreuk


1. “Standvastig sta ik in het bestaan” (vanuit stand wordt de linkervoet opzij geplaatst)
2. “Met vertrouwen betreed ik het levenspad” (rechtervoet zijwaarts – het kind staat nu met voeten gespreid)
3. “Liefde koester ik in de kern van mijn wezen” (linkerarm opzij op schouder hoogte)
4. “Hoop leg ik in al mijn daden” (rechterarm op schouderhoogte)
5. “Vertouwen stuur ik in mijn denken” (hoofd zo houden dat de leerling vooruit kijkt met het hoofd heel licht naar achter gehouden)

De houding in de vijfster wordt als volgt opgelost: Ontspan het hoofd, rechterarm, linkerarm, rechtervoet aansluiten, linkervoet aansluiten zodat de voeten gesloten staan als aan het begin van de spreuk. Deze ervaring kan worden versterkt door daarna twee of drie maal in de sterhouding te springen. Nu kan de schildering gemaakt worden. (aanbevolen spreuk en aanwijzingen Joep Eikenboom)

Eerst de vermiljoen kleur aanbrengen, daarna met spons of penseel de stervorm er uit wassen.



Eerste oefening: de kinderen krijgen de gelegenheid om zelf te kiezen welke kleur zij de ster willen maken.

Geel wil niet ingeperkt zijn en het geheel wordt te heet en vlammend. Hoe kunnen wij de ster goed laten stralen in het vermiljoenrood?

 Door gesprek de kinderen leiden tot een ander keuze: wij willen het 'koeler' maken, magenta (perzik-bloesem) wordt uiteindelijk de kleur waarmee de ster geschilderd wordt.


Eerste oefening:
Men kan op twee manieren te werk gaan. Beschilder het papier geheel met vermiljoen door met rechte ononderbroken streken van links naar rechts over het papier te schilderen. Hierdoor wordt een nerveus borstelen met de kwast tegengegaan en de leerling leert om een goede laag verf aan te brengen. De streek kan weer worden opgepakt vanaf de plaats waar de verf te licht wordt om zo een egaal kleurvlak te krijgen.

De vijfster kan dan uit deze zee van kleur worden gehaald met een spons of met de kwast. Als alternatief kan men de stervorm uitsparen. Dit is vooral te gebruiken wanneer de schildering wordt herhaald. Men zegt niets over de kwaliteit van het vermiljoen of het effect van deze kleur op de ziel.

Alleen bij deze eerste schilderoefening kunnen we het kind vragen welke kleur hij zou kiezen om zijn vijfster te schilderen, en wel zo dat het vlammende vermiljoen zich terug houdt van de ster en door de kleur van de ster in evenwicht wordt gehouden. De meeste kinderen kiezen onmiddellijk geel en daarin ligt nu eigenlijk het probleem. Geel is juist de kleur die niet moet worden begrensd. Geel moet oplossen en moet kunnen wegvliegen. In het geel houdt de ziel iets vast wat moet worden opgelost. Het vermiljoen drijft het in de ziel vastzittende geel uit. Ik stond de kinderen toe om hun vijfster met geel in te kleuren vanaf het moment dat ik eens zag dat Fra Angelico in zijn fresco’s deze twee kleuren gebruikt had voor Maria Magdalena. Dan vragen we de leerling of hij het resultaat bevredigend vindt. Als het antwoord “ja” is geven we geen commentaar. We herhalen de oefening de volgende keer en vragen weer welke kleur hij voor de ster wil gebruiken. Als hij te kennen geeft dat hij het resultaat niet zo geslaagd vindt kunnen we de relatie tussen de twee kleuren bespreken en bijvoorbeeld uitleggen dat het geel het vermiljoen juist vlammend en te heet laat worden. Dan ontstaat de vraag: “Hoe kunnen we het vermiljoen juist koeler doen lijken?” Er zijn kinderen die toch vast houden aan het geel, anderen doen voorstellen voor andere kleuren en realiseren zich dan dat ook die niet bevredigend zijn. Dan kunnen we de leerling de suggestie aan de hand doen om en perzikbloesem, magenta (rood-violet) te gebruiken. Dit geeft altijd grote voldoening. Ik heb geleerd om bij deze combinatie enige weken te blijven en daarna pas verder te gaan met de volgende schilderingen van de serie, waarbij ik de leerlingen precies vertelde welke kleuren zij moesten nemen.

Voor uitgebreide omschrijving van deze schilderoefening de vormen en de kleuren, zie: http://vo-extrales.blogspot.com/

Deze oefening heb ik met 4 kinderen gedaan.
Eerste oefening


Eerste sessie: een kind koos groen (het contrastkleur!) drie kinderen kozen geel.
Tweede sessie: Een geel, een blauw, een paars en een karmijnrode ster!




b. De Griekse letterreeks











Tweede oefening:

a) Beschilder het blad, zoals hierboven beschreven, met een oranje kleur. Neem uit of spaar een zesster uit en kleur die in met een licht Pruisisch blauw. Sommige kinderen vinden het moeilijk om zich een beeld te vormen van een zesster. Zelfs na de meetkundeperiode. Soms blijft er enkel een driehoek over en worden de andere punten weggehaald. Maar iedere keer als de serie gemaakt wordt, is de ster groter en beter van vorm.
Oranje met de Pruisisch blauwe zesster. (kleur en vorm van Hilde Boos-Hamburger) Dit is de geboortester van de incarnatie. Hier verenigen zich de hogere mens en de lagere mens, om op aarde het werk aan te vangen. De mens incarneert in de materie; substanties verdonkeren het geestelijke licht. Ons skelet bestaat uit verdicht licht. De cellen van onze beenderen hebben een zeshoekige vorm. We begeven ons van een innerlijke vorm naar een uiterlijke vorm. Steiner beschrijft in een andere voordracht het oranje als ‘in de geestelijke wereld net zo stromend als in de fysieke wereld’. De zesster wordt ingevuld met de complementaire kleur van oranje en krijgt de kwaliteit van de ruimte.

 b) De Griekse letter, de afkorting van de naam van Christus
De oefening levert verrassend positieve resultaten ten opzichten van behendigheid en coërdinatie van oog en hand. Alle kinderen krijgen het voor elkaar om alleen het blad te vullen met de basiskleur en zij hebben maar heel winig hulp nodig bij het invullen van de vormen:
5-ster, 6-ster, alpha, chie tot nu gedaan (10 december) Ook bij het lopen van vormen en bij het vormtekenen is er vooruitgang te zien. Dat heeft volgens mij observatie direct te maken met deze reeks schilder-oefeningen.


Derde oefening:


a) Begin met een laag citroengeel en maak daarin een oranje cirkel (bol)
Geel met een oranje bol. (vorm van Hilde Boos-Hamburger) De cirkel is een beeld voor de perfecte vorm van het astraallichaam. De mens draagt zijn zelfbewustzijn in de kleur geel de stroom van het aardse bestaan binnen.




b) De zogenaamde ’Evolutie-rij’ -een euritmieoefening- begint met de klank B. Vandaar de keuze voor de letter Bèta.











Vierde oefening


a) Een groene ondergrond waarin verschillende bladmotieven, plantenmotieven kunnen worden geschilderd in diverse tinten groen.
Groen met bladmotieven. (vorm van Hilde Boos-Hamburger) Een houvast hebben aan het heden, een wakker worden in de dagbewuste persoonlijkheid met zijn intellectuele vermogens. Groen is een geliefde kleur bij pubers, de levenskrachten komen onder de invloed van het bewustzijn en diens doodsprocessen in het lichaam.
Let op: bij het schilderen van de achtergrond bij de letter moet deze met verschillende tinten groen worden uitgevoerd . Het letterteken in één tint groen.

b) Theta









Vijfde oefening:

a) Een kobalt blauwe ondergrond met daarin een karmijnrode lemniscaat.
Kobaltblauw met lemniscaat in karmijn. Blauw en rood zijn de kleuren van de Madonna. Zij zijn de archetypische kleuren van de ziel, van haar mogelijkheid om innerlijk de koele afstand van het blauw te ervaren en de warme nabijheid van het rood. Het zijn kleuren van beweging, van ontspannen en samentrekken. Ze hebben een fysiologische relatie tot de ogen – de poorten van de ziel – blauw met het linkeroog en rood met het rechteroog (zie ‘De Extra Les’). Door deze kleuren wordt de ziel bevrijd van haar lichamelijke betrokkenheid en kan zij objectief in haar eigen innerlijke ruimte leven. De lemniscaat is de vorm waarin een evenwicht wordt getoond tussen boven en onder in een circulerende beweging.

b) De Griekse letter Tau is het symbool van het leven.










Zesde oefening:
a) Een ondergrond van blauwviolet waar doorheen een klein beetje zwarte verf is gemengd, waardoor de kleur wat wordt getemperd. Daaruit wordt een vierkant weggehaald of uitgespaard. Dit wordt in gekleurd met kobalt blauw waarin een diagonale zigzag lijn van goudgeel
Violet/zwart met blauw/geel. (kleuren van Hilde Boos-Hamburger) Dit is een moeilijke kleurcombinatie. Hilde Boos-Hamburger refereerde aan een aantekening in een van Rudolf Steiner’s notitieboekjes die hiermee samenhangt. “In het groen verhindert het licht dat blauw en geel uiteenvallen. In het violet wordt dit uiteenvallen bevorderd.” (uit: Rudolf Steiner - Farbenerkenntniss, GA 291a). Rudolf Steiners voordracht over de ruimtedimensies vormde de basis voor de vorm van deze schildering (GA 213).

b) De letter Omega beëindigt de sequentie.






Dat is het einde van de serie. Het kan zo vaak als nodig is herhaald worden, elke week een schildering. Ook kan de serie goed met potlood worden herhaald en uitgevoerd met de arceertechniek.

We kunnen begrip ontwikkelen voor bovengenoemde opmerkingen van Rudolf Steiner over blauw, geel, violet en ook een uitleg over het effect van de hele serie, wanneer we kijken naar de tekeningen, die kinderen maken in de kleutertijd. We moeten daarbij een duidelijk onderscheid maken tussen het effect van het schilderen en het effect van tekenen op het kind. Bij het schilderen roepen de kleuren de ziel op tot activiteit om met hen samen te smelten, om via het gevoel te leren begrijpen wat de ingeboren wetten en relaties van de kleuren zijn, om objectiviteit te ontwikkelen.

Bij het tekenen doet de ziel een mededeling over zichzelf in relatie tot beweging, perceptie/waarneming en gevoelsleven. Dit laatste gebeurt in een taal van archetypes, de kleuren zijn aanwezig als feiten van de ziel en er is geen sprake van een samenvloeien met de kleur, zoals bij het schilderen waarbij de kleuren gemengd zijn met water.

Voor het kind is het gras groen, de wolken zijn wit, rook zwart enzovoort. Dit zijn kleurarchetypen waarin de ziel van het kind leeft. Er zijn kinderen die, wanneer zijn voor het eerst in de kleuterklas komen, zich storten op het blauwviolet en het overmatig gebruiken. Men kan meestal vaststellen dat van deze kinderen te vaak geëist werd dat zij zielenkrachten gebruikten, die alleen echt gebruikt kunnen worden na de tandenwisseling. Dit zijn de kinderen die te vroeg keuzes moeten maken. Of, juist in het andere uiterste geval, kinderen bij wie de wil door volwassenen is overweldigd doordat die alles voor hen doen: aankleden, zelf de vragen beantwoorden voordat het kind het antwoord kan formuleren. Dit soort gedrag van volwassenen dwingt het kind in een veel te sterke verbinding met de fysiologische krachten van de lichamelijke processen, waarin de krachten van antipathie en sympathie als objectieve factoren aan het werk zijn (zie: Rudolf Steiners Algemene Menskunde, 2e voordracht).

Als deze krachten op een normale manier vrij komen van het lichaam bij de tandenwisseling worden ze in tekeningen door het gebruik van blauw en rood afgebeeld, en in hun relatie tot ontwikkeling van de oog-kleur-voorkeur (zie ‘De Extra Les’). De noodzaak van het kind om violet te gebruiken laat zien dat op deze twee krachten, die in het kind werkzaam zijn, al te vroeg een appel is gedaan en dat ze in het organisme onder druk worden beleefd. Zwart is een noodzakelijke kleur voor jonge kinderen om te kunnen gebruiken in hun tekening. Het kind gebruikt zwart om zijn eerste beleving van zijn eigen fysieke lichaam uit te drukken. Een gezond kind gebruikt zwart precies op de juiste plaats, tijd en in de juiste hoeveelheden. Een kind dat te sterk verstrengeld is in de mechanische bewegingen van zijn lichaam gebruikt zwart op vreemde plaatsen, steeds weer en overmatig. De kleuren die een kind gebruikt om de harmonieuze verbinding met zijn lichamelijkheid uit te drukken zijn voor de tandenwisseling blauw en geel; vanuit deze kleuren weeft de ziel van het kind zijn verbinding met het erfelijkheidslichaam en vormt dit om.

Wanneer we nu de kleurencombinatie van de 6e schildering nog eens nader bekijken, zien we dat de ziel geleid is tot het moment dat het zich kan bevrijden van een te sterke verbinding met de krachten in het fysieke lichaam (violet en zwart), zichzelf kan bevrijden van intellectualisme (groen), en de krachten terugkrijgt waarmee hij het leven is binnen gekomen (geel en blauw). Dit jeugdige element was ingekapseld of ongebruikt; is dit element vrij dan kan de ziel verder vooruit komen. De eerste oefening geeft dus het probleem aan, de laatste geeft het antwoord. De tussenliggende schilderingen geven de ziel een beeld van zijn eigen natuur. De ziel wordt geholpen om de tijd voordat hij de wereld binnen kwam te recapituleren en zich opnieuw te verbinden met de impulsen en met de intenties van zijn huidige incarnatie.

Deze oefeningen zijn ook waardevol omdat ze weinig tijd kosten, 10 tot 15 minuten. Zij kunnen individueel worden gedaan als een speciale therapie met de nodige herhaling of ze kunnen aan een hele klas worden aangeboden voor de periodeles als een manier om in het algemeen harmoniserend te werken. Dit zal meer en meer nodig worden omdat psychologische druk het leven steeds meer beïnvloeden zal. We hebben al ontbijttelevisie, wat betekent dat alles wat de ziel meebrengt vanuit het slaapleven onmiddellijk wordt geattaqueerd en vervreemd van zijn geestelijke wortels. Een eenvoudige schilderoefening zal de beste hulp zijn voor het zielenwezen van het kind om zich zelf bijeen te pakken en met het hele wezen aan de les te beginnen.

De oefeningen en uitleg zijn te vinden op de website van Joep Eikenboom: http://vo-extrales.blogspot.com/

vrijdag 18 september 2009

De eerste zeven jaar - Audrey MacAllan

De ontwikkeling van het kind in de eerste zeven jaar als basis voor het leren

 Spreuk van Rudolf Steiner


In het wereld-al
Weeft het wezen van de mens.
In de kern van de mens
Werkt het spiegelbeeld 
Van heel de schepping.
Het IK verbindt de twee
En schept aldus
De ware zin van het bestaan.


vertaling: Henk van Oort


Audrey McAllen
Voordracht gehouden te Brugge, België
op zaterdagochtend 2 mei 1987 - 9.30 u.

Wanneer we spreken over de wezensdelen van de mens, dan mogen niet spreken over ons fysiek lichaam, ons echterlichaam, ons astraallichaam, maar we moeten zeggen het fysiek lichaam, het echterlichaam, het astraallichaam. Deze wezensdelen van de mens zijn namelijk door de Hiërarchieën voorbereid gedurende eerdere aarde-evoluties, te weten Oude Saturnus, Oude Zon en Oude Maan. De wezensdelen zijn universeel en wij, als "Ik ben" mogen hen gebruiken, maar ons persoonlijke Ik heeft ze niet zelf gemaakt. Zij geven ons vermogens voor onze ontwikkeling, want door middel van deze wezensdelen kunnen wij de gewaarwordingsziel, de verstandsziel en de bewustzijnsziel ontwikkelen.
In "De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie" beschrijft Rudolf Steiner de kinderlijke ontwikkeling als "drie geboorten". De periode van de werkelijk fysieke geboorte tot het 7e jaar (de tandenwisseling) is de tijd van de opvoeding van het fysieke lichaam. Het kind leeft dan in empathie met de gehele hem omringende omgeving inclusief de morele kwaliteiten van die omgeving, vooral van de mensen om hem heen. In het wezen van het kind leeft een sterke wil om de wereld op te nemen en na te bootsen. Het kind bootst na omdat "de wereld goed is". In de periode van 7 tot 14 jaar is er een verandering van bewustzijn. Het kind zoekt stabiliteit in de wereld. Het wil een autoriteit, die hem wijst wat goed of slecht is. Het wil respect opbrengen voor de opvoeder. Het ervaart: "de wereld is mooi". De periode van 14 tot 21 jaar is de tijd van idealisme. Het kind zoekt zelf zijn held om na te volgen. Het wil ervaren: "de wereld is waar".
Dit zijn 3 stadia van incarnatie van de ziel. Rond het 7e jaar is het etherlichaam vrijgekomen van het etherlichaam van moeder. Rond het 14e jaar wordt het astraallichaam geboren en als we het etherlichaam goed opvoeden is het astraallichaam niet te chaotisch. Rond het 21e levensjaar zou de "schaal" klaar moeten zijn om het "Ik" te ontvangen. (P.S. Deze drievoud spiegelt zich in het klein ook in elke afzonderlijke periode.)

Het wordt steeds belangrijker dat we allemaal iets weten over de ontwikkeling in de eerste zeven jaar en dat we kunnen we leren van de kleuterleidsters. Maar de kleuterleidsters zouden ook de kinderlijke ontwikkeling tot minstens 9 jaar moeten bestuderen.
De eerste zeven jaar is de periode van de opvoeding van het fysieke lichaam, zodat het "Ik" geboren kan worden in het etherlichaam. Tegelijkertijd leggen we dan ook de basis voor de geboorte van de bewustzijnsziel(tussen 35 en 42 jaar). Dus moeten we het fysieke lichaam goed bekijken! Rudolf Steiner beschrijft het fysieke lichaam als de optelsom van alle zintuigen. De oorsprong ervan gaat terug tot de Oude Saturnus. Toen werden het skelet, en alles wat hoort bij bewegingen en het bewustzijn aangelegd.

De ontwikkeling van het fysieke lichaam kunnen we op twee manieren bekijken:
l. vanuit een structureel gezichtspunt, en
2. vanuit een constitutioneel (fysiologisch) gezichtspunt.
(Zie het schema)



Als iets twaalfvoudig is kunnen we verwachten dat er opname van materie is, er wordt iets ruimtelijks gecreëerd. Het zevenvoudige heeft met de planeten te maken: dit is de etherisch/constitutionele kant van de orgaanprocessen.
Het structurele aspect van de fysieke mens vormt een ruimteorgaan. In de eerste periode (0 3 jaar) richt het kind zich op en oriënteert het zich in de ruimte. Een aantal reflexen, die bij de geboorte aanwezig zijn, moeten gedurende de eerste maanden worden geïntegreerd. Wanneer men bijvoorbeeld het hoofd van een jong baby’tje naar een kant draait, dan strekken zich de arm en het beentje aan de "gezichtszijde" en dan buigen het armpje en het beentje aan de “achterhoofdszijde”. Deze reflex noemt men de "Asymmetrische Tonische Nekreflex" (ATNR).
Wanneer men, bij een baby’tje in buikligging, het hoofdje voorwaarts buigt, dan buigen zich de armen in de ellebogen en strekken zich de benen; als men het hoofdje achterwaarts buigt, dan strekken zich de armen en buigen zich de benen in de knieën. Deze reflex noemt men de "Symmetrische Tonische Nekreflex" (STNR).

Het proces van het kruipen zorgt ervoor dat deze reflexen worden geïntegreerd in het neurologisch-motorische systeem. Wanneer ze blijven, bemoeilijken ze de ontwikkeling en dit zal later effect hebben op het leren. Kinderen waarbij dat het geval is, hangen op hun bank, of hebben de gewoonte van op één been te zitten, of de rest volgt wanneer ze een arm uitsteken. Ze hebben ook problemen in de euritmie. Het komt voor dat kleine kindjes, die deze reflexen overwonnen hebben, een verkoudheid of een oorontsteking krijgen. Wanneer die dan behandeld wordt met antibiotica, komen deze reflexen soms terug en verdwijnen ze niet meer. Deze verschijnselen zijn geen gewone onhandigheid ("clumsiness").

Tussen 3 en 5 jaar ontwikkelt zich de symmetrische fase (sidedness). Het kleine kind gebruikt zowel links als rechts: beide lichaamshelften worden geoefend, opgevoed. Er is een barrière tussen beiden ("middellijnbarrière"). Deze vormt een bescherming zodat het kind inderdaad beide helften van het lichaam kan ontwikkelen. Er is ook een "horizontale middellijn", die boven en onder scheidt. In de periode van de horizontale middellijn spelen de kinderen bijv. paardje, waarbij ze een koord rond de taille doen! Het is de tijd van het creatieve spel. Dan praten ze constant tegen de poppen of tegen zichzelf terwijl ze spelen. Als dat niet gebeurt, kan men later ellende krijgen. De middellijnbarrières dienen tussen 6 en 7 jaar te verdwijnen. Dus mogen de kinderen pas naar de eerste klas als ze 6½ jaar (en liefst ouder!) zijn!
Sommige ouders van kinderen tussen 4½ jaar en 5½ jaar denken dat hun kind linkshandig is, terwijl het dat helemaal niet is. Het valt de ouders enkel op wat het kind links doet. Dat is dan "pseudolinkshandigheid" (zie: ‘Teaching Children Handwriting’ van Audrey McAllen).

Veel latere leerproblemen hebben o.a. met de twee middellijnen te maken, bv. "spiegelen". Bij het schrijven moet de verticale barrière overwonnen zijn. Er zijn bv. kinderen die hun hand opheffen als ze aan de verticale middellijn komen. Er zijn kinderen die bij het schrijven op de rechterkant leunen om de middellijn niet te hoeven kruisen! De remedial teacher zou in de klas kunnen komen om deze fenomenen mee te helpen opsporen.
Om te onderzoeken of een kind problemen heeft met de horizontale middellijn moet men speciale technieken gebruiken. Men moet kijken naar wat de kinderen niet doen, naar wat ze ontwijken. Bv. deze kinderen bukken zich niet, maar in de plaats daarvan hurken zij , als ze iets van de grond moeten oprapen.

De derde periode van de eerste zevenjaar is voornamelijk een groeiperiode. Het kind begint het creatief spel los te laten. De kinderen beginnen elkaar te plagen, elkaar te stoten, enz... Die kinderen verstoren dus de harmonie in de kleuterklas en een kleuterleidster, die een sterk gevoel heeft voor creatief spel heeft daar dan moeite mee. Ze definieert dat gedrag dan als "schoolrijpheid" en ze wil die rustverstoorders dan naar de eerste klas verwijzen. Maar…dit alles is echter geen teken van schoolrijpheid. Het kind wil consolideren wat het verworven heeft en het moet daar dan ook de gelegenheid toe krijgen. Het wil dan dingen doen, bijvoorbeeld iets met de jongere kinderen, de baby’tjes en de peutertjes tot 3 jaar, die nog in hun zeepbelletjes leven.
Op structureel gebied moet het kind nu zijn lichaamsgeografie (in het gewone taalgebruik: "lichaamsschema") consolideren.
Wanneer de periode van 0 tot 3 jaar niet goed doorlopen is, heeft het kind vaak al geen goede lichaamsgeografie. Dat spiegelt zich in de kindertekeningen: het moet nu (derde periode) een drieledig mensfiguurtje tekenen met een middellijn.

Rond het 12e levensjaar beleven kinderen hun fysieke lichaam opnieuw. Het beenderstelsel voelt niet als van henzelf, maar als een innerlijke buitenwereld. Ze willen er dan met hun ziel op stampen. Als ze dan geen goede "lichaamsgeografie" hebben, dan is er niets om op te stampen. Er is dan niets waar het "willen" kan op staan, het lichaam draagt de ziel van het kind onvoldoende. Het gevolg ervan is wilszwakte. Kinderen "wensen" dingen te doen, maar ze kunnen het niet verwerkelijken. Door klassikaal de "spot check" af te nemen, kan men dat onderzoeken (zie: "De Extra Les"). Het is mij gebleken dat gemiddeld tweederde van de klas geen goede lichaamsgeografie heeft. Ze tekenen mensfiguren zoals 3 5 jarigen dat doen. Wanneer deze lichaamgeografie onvoldoende is, dan heeft de bewustzijnsziel dan geen goede fysieke basis -"schaal"- om zich te ontwikkelen. De gevolgen hiervan zijn te zien tot in het voortgezet onderwijs (de middelbare school). De kinderen gaan dan naar de bovenbouw zonder deze drieledigheid goed ontwikkeld te hebben.

Wat kunnen de kleuterjuffen hieraan doen? Ze moeten minstens leren te zien dat de primitieve reflexen en de middellijnbarrières volledig verdwenen zijn als de kinderen naar de 1e klas gaan. Ze kunnen dan op tijd remediëren via het spel van de kinderen.
Structurele problemen kan je ontdekken op de kindertekeningen. Je ziet dan bijvoorbeeld dat het hoofdje niet juist op de schouders getekend staat. Dan blijkt vaak dat het kinderen zijn die als baby van de stoel gevallen zijn of zoiets dergelijks, en dat er bijvoorbeeld iets verkeerds geschoten is tussen twee wervels in bv. de nek. Dit geeft dan een "verkeersopstopping" in de zenuwen. Er ontstaat een soort "paresthesie", needles and pins (= tintelingen, alsof er mieren over lopen). Dit gevoel is dan bij het kind constant aanwezig zonder dat het zich er bewust van is. Het beïnvloedt alle bewegingen en het kind gaat zijn bewegingen zo aanpassen dat die vervelende gevoelens zoveel mogelijk vermeden worden. Cranio-sacrale osteopathie kan daarbij hulp bieden. Het brengt het lichaam terug in de juiste constructie, zodat heileuritmie (euritmietherapie) en remediërend werk kunnen gaan aanslaan. (P.S. In Amerika zijn er cranio-sacrale osteopaten welke antroposoof zijn)
De laatste visie van de wetenschap op de hersenen is, dat de hersenen veel plastischer zijn dan men eerst aannam en dat ze daarom ook later nog (her )opgevoed kunnen worden. Men kan het kind ook later nog leren, zich naar de rechterkant van het lichaam te oriënteren, op een rustige manier, met behulp van bepaalde oefeningen.

Overgenomen uit de blog van Joep Eikenboom.

In de blog van Joep Eikenboom wordt materiaal gepubliceerd, verzameld over de achtergronden van Audrey McAllens "The Extra Lesson".

vo-extrales.blogspot.com
De Extra Les is niet zo maar een boek met oefeningen. Het is veel meer een concept dat Audrey McAllen heeft ontwikkeld vanuit de antroposofie en de vrijeschool-pedagogie. Wie met de oefeningen uit De Extra Les wil werken doet de zaak recht door zich ook steeds weer opnieuw bezig te houden met die achtergronden. Volgens Audrey moeten we ons werk voeden vanuit Rudolf Steiners antroposofie. Daarnaast moeten we ons openstellen voor inzichten die door de moderne wetenschap gevonden worden, maar steeds opnieuw proberen die inzichten te laten bevruchten door en te verbinden met de antroposofische menskunde. Pas dan mogen we verwachten dat hiërachische wezens uit de wereld der engelen zich met ons werk willen verbinden ten bate van de kinderen. Laten we die aanwijzing van Audrey McAllen zeer serieus nemen.

Overgenomen van de blog van Joep Eikenboom

Pictolezen

1. Starten met spreuk

Ik sta hier
Onder mijn voeten de aarde
Boven mijn hoofd de zon
Vast en zeker.

Zeker en vast
De aarde onder mijn voeten
De zon boven mijn hoofd.
Hier sta ik

2.  Klanken en letterbeelden
De volgende klanken chirofonetisch op de rug doen - K, O, A, ij, M. Deze letters komen veelvuldig voor in het pictolezen-programma.

Koning Karel komt kijken
Kijken komt Koning Karel.

3. Tekenen
Voortekenen en daarna tekenen kinderen de letterbeelden.

4. Typen. Op de computer zoeken naar de letterbeelden en met hulp van de juf. of leidster de regel

" Koning Karel komt kijken " typen.

Ook de S wordt bij een ander gelegenheid getekend en chirofonetisch op de rug gedaan, samen met de M, A, O, T & P. ( ook letters die ze al kennen vanuit het programma "Kijken en kiezen")
Stampen en stoten.
Stoten en stampen.

Het letterbeeld S tekenen.
De regel op de computer typen en uitprinten.
De andere, reeds bekende letterbeelden (voorheen als beeldletter gedaan en nu weer in het pictolezen-programma tegengekomen) kunnen ook ingescherpt worden al naar gelang wij ze tegenkomen.

4. Pictoverhaal Wij blijven een tijd lang met het sprookje van Goethe werken.
Het verhaal tot waar wij gekomen zijn samen ophalen. Figuren op tafel plaatsen om het verhaal uit te beelden. Het verhaal verder vertellen.

Picto's van de Groene Slang en de Witte Lelie "lezen"








3. Werken mer computerprogramma - "Kijken en kiezen"


4. Afsluiten met spreuk