vrijdag 18 september 2009

schilderoefening - rood/blauw

Blauw-rood oefenreeks

Beginnen met spreuk:

Aan de hemel spreidt zich de regenboog zo blij
Hier op aarde geeft hij de kleuren aan mij.

Geel jij brengt licht en jij glanst
Jij schittert, jij straalt en jij danst.

Blauw biedt omhulling en koele schaduwen,
Wijkt dan weer terug, stil een bescheiden.

Rood is koninklijk en vol moed
Brengt aan ons zijn warme gloed.

Mijn papier licht te wachten
op de schenkende krachten
van de kleurige stralenkrans
met haar lichtende glans.

Blauw & Rood Schildering als zielenoefening
gebaseerd op aanwijzingen van Liane Collot d'Herbois en Audrey McAllan

Een indicatie om deze schilderoefening te gaan gebruiken is, dat een leraar het gevoel kan hebben dat de kinderen waarmee hij werkt ‘substantie’ voor de ziel nodig hebben – bijvoorbeeld voor nieuwe leerlingen in de vrijeschool, overgestapt vanuit het andere onderwijs; wanneer er in de klas een sterke tendens is tot materialistisch denken; wanneer er de noodzaak is creatieve krachten te versterken.
De kleuren Blauw en Rood geven de ziel (het astraallichaam) substantie. Ze zijn de archetypische kleuren voor de objectieve polaire krachten van antipathie en sympathie. Het gebruik van blauw en rood activeert de werkzaamheid van de ziel in de ogen, de zogenaamde oog-kleur-voorkeur. Deze serie schilderingen werkt met het principe van de oog-kleur-voorkeur (zie Audrey McAllan: De Extra Les). De serie “schudt” het astraallichaam op.
Ter vergelijking zou men hierbij kunnen denken aan het effect dat het heeft wanneer men met een rechtshandig kind de linkshandige versie van de 'Rechthoekige-driehoek-oefening' (zie ook: De Extra Les) doet. Ook kan men denken aan de pedagogische euritmieoefening IAO, die tegen het einde steeds sneller moet worden uitgevoerd en daarna weer rustig.

In iedere sessie maken de kinderen 2 schilderingen, de ene onmiddellijk na de andere. Wanneer men met een groep werkt is het raadzaam om een extra set schilderplanken te hebben, of genoeg ruimte op de vloer om de eerste schilderingen te kunnen neerleggen en laten drogen.
De leraar kan bij de instructie de oefening op het bord voortekenen met krijt, vooral de richting.
De leraar kan met schilderen beginnen meteen na de ochtendspreuk. Bij een goede organisatie lukt het de kinderen om binnen 20 minuten klaar te zijn. De zogenaamde “verloren tijd” van de periode wordt terug verdiend, doordat de kinderen na deze oefeningen meestal goed aan het werk gaan.

eerste sessie (a)
1. Met lange penseelstreken van links naar rechts wordt het eerste vel papier langzaam blauw geschilderd. (Het liefst Kobaltblauw, anders Ultramarijn. (BESLIST GEEN Pruisisch blauw) Leg de schildering weg om te drogen.
2. Prepareer onmiddellijk daarna een tweede vel papier en beschilder dit met Karmijnrood, met dezelfde techniek.

tweede sessie (b)
1. Met lange penseelstreken van links naar rechts wordt het eerste vel papier langzaam rood en blauw geschilderd. De bovenste helft rood, de onderste helft blauw. Zorg dat de verf niet wordt gemengd. Leg de schildering weg om te drogen.
2. Prepareer een tweede vel papier en schilder dit blauw en rood, de bovenste helft blauw en de onderste helft rood. Dit is het correcte patroon volgens de oog-kleur-voorkeur.

derde sessie (c)
1. Met lange penseelstreken wordt het eerste vel papier langzaam rood en blauw geschilderd. Eerst de linkerhelft tot het midden rood, dan vanaf het midden tot rechts blauw. Jonge kinderen mogen eerst een middellijn aangeven als steun voor de ruimteverdeling. Zorg dat de verf niet wordt gemengd. Leg de schildering weg om te drogen.
2. Prepareer een tweede vel papier en schilder dit blauw en rood, eerst de linkerhelft tot het midden blauw, dan vanaf het midden tot rechts rood. Dit is het correcte patroon volgens de oog-kleur-voorkeur.

vierde sessie (d)
1. Schilder met blauw een cirkelvormige bol in het midden van het papier. Schilder hier omheen Karmijnrood.
2. Op het tweede papier komt een Karmijnrode cirkelvormige bol waarom heen het Kobaltblauw of Ultramarijn.

vijfde sessie (e)
1. Met lange penseelstreken wordt het eerste vel papier langzaam rood en blauw geschilderd. Van links naar rechts wordt met Karmijn begonnen. Iedere volgende streek wordt iets korter zodat rood de linker bovenhelft van het papier bedekt. Er ontstaat een diagonaal. Jonge kinderen mogen eerst de diagonaal aangeven als steun voor de ruimteverdeling. De andere helft wordt van de diagonaal in horizontale streken naar rechts blauw geschilderd. Leg de schildering weg om te drogen.
2. Prepareer een tweede vel papier en schilder dit blauw en rood, de linkerbovenhoek tot de diagonaal blauw, dan vanaf de diagonaal in horizontale streken naar rechts rood. Dit is het correcte patroon volgens de oog-kleur-voorkeur.


aanbevolen optie: een zesde sessie
1. Viridiaangroen (Stockmar: Blaugrün) en magenta (Stockmar: Rotviolet. Winsor & Newton: Quinacridone Magenta is veel mooier) schildering (zie De Extra Les) Eén schildering met rustige streken van links naar rechts veridiangroen. Dit totdat ¾ van het blad beschilderd is. Daarna de onderste helft met magenta om een balans te creëren tegen het vele groen. Deze schilderoefening helpt de Ik-organisatie de zintuigen beter te doordringen.


















Bron:
http://vo-extrales.blogspot.com/2009/05/oog-kleur-voorkeur-blauw-rood.html
http://vo-extrales.blogspot.com/2009/02/sleep-hoofdstuk-8.html
Volgende reeks oefeningen:
http://vo-extrales.blogspot.com/search/label/schilderoefening

Afsluiten:
Op mijn papier spreidt zich nu de regenboog zo blij
Hij gaf zijn kleuren aan mij.

Geel bracht licht en glans,
Hij schittert, hij straalt, hij danst!

Blauw bracht omhulling en schaduw,
Hij wijkt terug, stil en bescheiden.

Rood zo koninklijk en vol moed
Bracht zijn warme gloed.

Mijn papier licht te drogen
Met schenkende krachten,
Met kleurige stralenkrans,
Met lichtende glans.

Gebaren

Het jonge kind

Gebaren


Gebaren horen bij onze dagelijkse handelingen - hoe doen wij iets? Hoe raken wij de dingen aan, hoe hanteren wij ze? Hoe beweeg ik in de ruimte? Lichaamstaal, wordt het ook wel genoemd.

De gebaren van onze dagelijkse handelingen tijdens de arbeid zijn grotelijks veranderd ten opzichten van vijftig, zestig jaar geleden. Alles is gemechaniseerd en wij staan verder van de dingen af - stofzuiger in plaats van bezem, wasmachine en geen wrijven of wringen komt meer te pas in het wasproses van ons kleding en "linnengoed" De boer heeft een "combi" om de oogst binnen te halen, alles vind plaats in een enkele onzichtbare gebeuren. Een e-mail versturen in plaats van een brief op de bus doen.

Voor het opgroeinde kind is het des te meer noodzakelijk dat het de zinvolle handelingen en gebaren daarmee gepaard gaand -  waarbij er nog een directe verbintenis met de dingen tot stand komt en beleefbaar is - meekrijen.

Hieronder een artikel van Ellie Bus uit school krant van de vrije School, Oudorp.

Het gebaar

verschenen in de schoolkrant Pasen 1995
auteur: Ellie Bus
Ik ben al wekenlang van plan een artikel te schrijven over het gebaar, en dan toegespitst op de kleuterfase. Ik kan er nauwelijks toe komen, niet door gebrek aan tijd, maar doordat "het gebaar" zover van ons afstaat. Wat is eigenlijk "het gebaar" Bij het gebaar denk ik aan mijn handen, en kijk er eens naar terwijl ik schrijf. De laatste tijd let ik op mijn handelingen. Hoe draai ik de kraan open, hoe doe ik de afwas, hoe dek ik de tafel, hoe pomp ik mijn fiets op enz. Dan merk je opeens hoe weinig je daar echt mee bezig bent.

Al die handelingen zijn geautomatiseerd, met onze gedachte zijn we bij de dagelijkse zorgen en we gaan er aan voorbij. Bovendien zijn onze huidige handelingen totaal anders dan die uit vroegere tijden. Een knop omdraaien is totaal iets anders dan bv. een kaars lamp of vuur aansteken, de kraan opendraaien is iets anders als water putten, graan malen en koekjes bakken iets anders als een plastic zak open trekken enz. Onze totale dynamiek is daardoor veranderd en zijn we statische burgers geworden en de handelingen die we moeten doen zijn vergeleken met die van vroeger, eenvoudig, We draaien ons hand niet meer om voor een flinke was, en ik kan daar ook blij mee zijn, want we zijn niet meer alleen maar bezig met onze dagelijkse verzorging.

Maar het laat ook iets anders zien. Een zekere verarming t.a.v. onze omgeving. Wij worden a.h.w. verzorgd door automatiseringen die in de loop der jaren in ons leven zijn ingevoerd en die ons het leven een stuk gemakkelijker hebben gemaakt. Maar hoe geven wij nu een stuk zorg terug, die vroeger in die elementaire noodzakelijke handelingen van onze dagelijkse levensonderhoud vanzelfsprekend verweven zaten ? In elke ambacht zat naast de gewone handeling, de juiste aandacht tot een gebaar gesmeed. Heeft u ze nog weleens gezien, de smid, de botenbouwer, de metselaar, de schrijnwerker ? Daar kun je lang en geboeid naar kijken, meegaan in de beweging, in de ademhaling van de ambachtsman.

Op dit moment is er ook veel belangstelling voor de oude ambachten. Geen wonder dat er zoveel belangstelling is voor het schip de Batavia in Lelystad. Indrukwekkend en misschien wel bewondering en heimwee oproepend. Maar het gebaar vinden we niet alleen bij de ambachten, maar ook als ondersteuning van onze taal. De een is daar drukker in, de andere rustig. De een gebaard alleen als hij vrolijk is of indruk wil maken (de bekende middelvinger omhoog), de ander als hij zich niet zo fijn voelt. Het laat in ieder geval iets zien van ons gemoed. Daarnaast kan ons hele lichaam natuurlijk iets uitdrukken in zijn bewegingen b.v. zwierig lopen, huppelen van geluk, krom en zielig, of juist schopperig overal tegenaan.

We gaan nu terug naar het kleine kind, want hoe past het in dit geheel? De mens heeft na een eeuwenlange ontwikkeling zijn rechtopgaande gestalte verworven. Ook het kleine kind, als we daarmee een parallel trekken met de mensontwikkeling, komt vanuit het water aangeland en van liggen tot kruipen, staan tot lopen. De omgeving speelt hierbij natuurlijk een cruciale rol. Een enorme stap vooruit is het moment dat het de beschikking krijgt over zijn handen als "werkorganen." Hij is rechtop gaan lopen, heeft daardoor zijn "zit-natuur" overwonnen, zijn blikveld verandert en hij wordt door het handelen vaardig zijn eigen leven op te bouwen. Maar daar heeft hij ons bij nodig. Niet alleen heeft hij onze aandacht nodig voor hem, maar ook onze aandacht die in onze daden ligt. Het voorbeeld, de zorg die we geven aan onze omgeving, de zorg voor wat we doen. We kunnen bv. iemand iets toegooien of aanreiken, we kunnen ons haasten, gauw, of eerder opstaan en alles rustig doen.

In de kleuterklas zijn we veel bezig met gebaren, en ik heb het als een van de moeilijkste zaken ervaren in dit beroep dat onder de knie te krijgen. In de kleuterklas hebben we de kleine gebaren van de vinger-spelletjes, de grote gebaren van het ambachtsspel -timmerman,bakker,smid-
ondersteunt door liedjes en versjes en het hele grote gebaar, de omhulling van de klas, die tot uitdrukking komt in de veiligheid en geborgenheid binnen de groep en de aankleding van het lokaal. Daarbij hebben we nog euritmie, waarbij we allemaal tot taalgebaar worden. Hierbij staat het gebaar op de voorgrond en moet de taal worden terug gehouden. In de aandacht voor datgene wat je doet, het aanreiken, het ontvangen, het weven, het borduren, het verzorgen van planten , omgeving etc. ligt een morele kracht verborgen. De eerbied. Dit is iets wat kinderen van nature niet met zich meekrijgen, maar alleen door nabootsing kunnen verwerven. Door ons handelen wat we doen en hoe, met welke aandacht en verantwoordelijkheid, dat nemen de kinderen waar en daardoor ontstaat de scheppende liefde.



zondag 6 september 2009

Waarnemingsoefeningen voor de opvoeder - De volheid van de verschijning


Uit het stenenrijk:
Tijdloos rust de rots
roerloos in eigen zwaarte
spreekt de eeuwigheid.



Uit het plantenrijk:
Bloesem blaadjes teer
geruisloos uitgevouwen
in een witte wolk.




Uit het dierenrijk:
Kat is begeerte
verslindend de witte duif
die droomde in ’t groen.

Uit het rijk van de mens:
 De tijd vliegt zo snel
gevuld met duizend dingen
het rustpunt voorbij.

Tekstkleur
Hieronder volgen een aantal waarnemingsoefeningen. De oefeningen worden gegeven om het leren waarnemen voor de kinderbespreking, te ondersteunen. De oefeningen zijn afkomstig uit het boek "Die Kinderkonferenz" van Ingrid Roerman en Bettina Henke, Uitgeverij Freies Geistesleben.

De Methode Een samenspel van drie elementen zijn nodig.
1. Nauwkeurig waarnemen – met wetenschappelijk precisie waarnemen, gekoppeld aan innerlijke activiteit. Doelgericht en zonder vooroordelen.
2. Cultisch, meditatieve concentratie en zelfbeheersing ten opzichte van eigen denken. Ruimte scheppen waarin het wezenlijke waarneembaar wordt.
3. Kunstzinnige, beeldvormende vermogen tot ontwikkeling brengen. Scheppende tot stand komen van innerlijke beweging en beelden.Waarnemen houdt in:
Liefde voor de zintuiglijke verschijning.
Zintuigindrukken ten opzichten van vorm, klank, kleur, reuk, samenstelling, materiaal, tastbare en voelbare elementen van een object of persoon.
Welke zintuiglijke uitdrukkingswijze openbaart het object van observatie.
Jezelf lichamelijk en geestelijk tot een instrument maken om in het waargenomen object te duiken, om met het mee te bewegen.
Ik moet oefenen om innerlijk ruimte te maken waarin ook het ongewone, vreemd aandoende, zich kunt uitspreken.
Om op dat wat ik naar binnen laten komen ook te kunnen antwoorden, moet ik innerlijk het beeld weer laten ontstaan – op zo een wijze, dat jij zeggen kan: ik zie je.
Intieme meeleven met de vier elementen aarde, water, lucht en vuur (warmte) vormt de basis van het leren om zelf een goed ‘waarnemingsinstrument’ te worden.

Element: Aarde
Mens: Fysieke lichaam
Wat het aangeeft: Uiterlijke verschijning

Element: Water
Mens: Ether lichaam
Wat het aangeeft: Ontwikkeling in de tijd

Element: Lucht
Mens: Astraal lichaam
Wat het aangeeft: Verhoudingen
Element: Warmte
Mens: Ik
Wat het aangeeft: Lotsintentie

In de klassieke kinderbespreking werd er naar de volgende aspecten gekeken:

De biografie tot op datum: zwangerschap, geboorte, ziekten en korte levensgeschiedenis
1. Uiterlijke verschijning – alle fenomenen die aan de fysieke verschijning ten grondslag liggen.
2. Vormkrachten en levenskrachten - meebewegen met het gebaar van deze verschijning; dat houdt in een innerlijk, gevoelsmatige meebewegen maar ook uiterlijk, lichamelijkmeebewegen. Hierdoor gaat men een menselijke verbinding aan met het waargenomen beeld. Men beweegt niet alleen mee maar beleeft ook mee.
3. Nu richten wij ons tot de innerlijke, morele verschijning. Hoe is het, zo te zijn? Welke zielenkwaliteit spreekt hieruit?Tot nu staan wij nog tegenover het fenomeen. Wij moeten nu echter een stap maken om de afstand te overbruggen.
Daarvoor is nodig dat wij ons zo met het waargenomen beeld te identificeren, dat wij het ‘worden’. Nu beleven wij het van binnen. Het kan best beangstigend zijn, zo diep met het waargenomen te identificeren. Hoe doe ik het zonder mijzelf in het luchtige uitdeinen te verliezen? In het wisselen tussen het tegenoverstaan en het identificeren met, licht juist de sleutel tot de empathie. Empathie is het vermogen wat nodig is om de waarneming te scholen.
4. Om bij de innerlijke beweging van alle vier elementen aan te sluiten, is een goed oefening het schrijven van een gedicht. Ik ben lucht/ water/ vuur/ aarde.


Leen mij de Lucht

Leen mij de lucht
En ik boetseer de wolken
tot ornamentenvan zilveren mist
besmukt met pailletten
pailletten van Aurora.
Leen mij de lucht
En bij het schijnsel van de maan
dim ik de sterren met een voile
van sereniteit
tot een feeëriek schimmenspel
waarbij de vuurvlinder
dartel de schemer streelt
Leen mij de lucht
En bij het baren van de dageraad
verwelkom ik de zon
met bloesems van mijn asem
tot een douche van dauw
weerspiegelt de pailletten
pailletten van Aurora
Leen mij de lucht.
Jelou

Scholing van het waarnemingsvermogen

Oefening om de zelf te ervaren. Het leren waarnemen van het fysieke.
Beginoefening: een potplant natekenen met kleurpotloden.
Neem de tijd om goed waar te nemen. Van belang is het proces, niet zozeer het resultaat.
Formuleer daarna drie stellingen over het plant voor jezelf.

Beantwoord vervolgens de volgende vragen: (niet vooraf te lezen)

1. Wat vond jij bijzonder aan de plant?

2. Welke gevoel had jij tijdens het tekenen?
3. Hoe goed was jou waarnemen?



(Geef je hierbij een punt tussen 0 en 10 voor de volgende waarneming aspecten)

Kon jij details vastleggen?
Kon jij een geheelbeeld maken?
Hoe goed lette jij op de precieze vormen van de bladeren/ bloesems etc.?
Gaf jij het bewegingsgebaar van de verschijning weer?
De kleur, het spel van licht en donker?
Hoe heb jij de getalswetmatigheden en verhoudingen weergegeven? - klein/groot?
Gaf jij voorbije of toekomstige ontwikkelingstoestanden van de plant ook aan?
Zijn de tegenstellingen en of spanningen tussen aarde, wortel en bloei aangegeven?
Waren er dingen die irriteerden?
Toonde jij ook de omgeving waarin de plant groeit aan?
De stemming dat de plant bij jou wekt.
Hoe de plant de omgeving verandert, welke atmosfeer straalt het uit?
Waar kan jij nog meer op letten?
Hoe sterk/zwak schat jij nu jouw observatievermogen in?

Waren de drie stellingen die jij formuleerde alleen beschrijvend of zat er ook een oordeel in?
Verander de stellingen met een oordeel nu naar feitelijke stellingen.

Oefeningen voor het leren begrijpen van de kwaliteiten van de vier elementen.

Waarnemen houdt in:
Liefde voor de zintuiglijke verschijning.
Zintuigindrukken ten opzichten van vorm, klank, kleur, reuk, samenstelling, materiaal, tastbare en voelbare elementen van een object of persoon.J
ezelf lichamelijk en geestelijk tot een instrument maken om in het waargenomen object te duiken, met het mee te bewegen.
Ruimte geven om ook de ongewone een plek te geven.
Innerlijk het beeld weer laten ontstaan – ik zie je.

Kwaliteiten van de elementen
Aarde – element van het vaste
Verschijningsvorm:
Begrensd
Ondoordringbaar
Zichtbaar
Tasbaar
Onbeweeglijk (uit zichzelf)
Blijvend
Meetbaar, telbaar, weegbaar.
Verdeelbaar in steeds kleineren deeltjes.
Het geeft vorm en kan beschreven wordt.
Het is ruimtelijk waarneembaar
Wat het waarnemen betreft is het mogelijk om hier:
Feiten te constateren
Uiterlijke verschijningen exact te omschrijven
Verhoudingen ten opzichten van plaats en grootte exact te omschrijven.
Wegen, meten en tellen
Steeds meer details op te merken.
Vragen die helpen bij verscherpen van opmerkzaamheid:
Wat kan jij waarnemen? En wat nog meer/Wat kan ik met mijn zintuigen waarnemen – zien, horen, proeven, ruiken, voelen?
Waar is wat?
Welke verhoudingen zijn er ten opzichten van grootte? Aantal?
Kwaliteiten, eenzijdigheden en voordelen van deze observatie methoden
Het objectbewustzijn verstevigt, het innerlijke blijft verborgen en alles wordt op het uiterlijke aspect waargenomen.
De waarneming wordt geobjectiveerd en alleen wat uiterlijk aantoonbaar is, wordt meegenomen.
De blik wordt geschoond van persoonlijke emoties en eigenschappen.
Veel dat eerst onopgemerkt voorbijging, wordt nu ontdekt.
Oefeningen waardoor de interesse voor de zintuiglijk waarneembare versterkt wordt.
Ontdekt in de natuur iets dat jij voorheen nog niet ontdekt had. Teken het. Jij kan er ook een gedicht of een lied bij zoeken of zelf maken!
Neem iets dat al bekend is, maar kijk nu met meer aandacht. Het is goed om aantekeningen te maken. Nadat jij dit een tijd gedaan hebt met de natuur, kan jij nu met verscherpte waarneming naar mensen ook gaan kijken.
Probeer om de mensen met wie jij dagelijks te maken hebt, direct nadat jij met ze contact had, te onthouden welke kleding zij aanhad. Welke sieraden?
Wanneer jij iets niet precies kan herinneren, bouwt dan op eigen fantasie voort – waren de patronen in het stof bloemetjes of net dotjes? Waren ze geel en blauw? Maak er maar gewoon bloemetjes van en houdt het op geel en blauw. Wanneer jij dezelfde persoon weer met deze kleding zien, kijk jij scherper!
Teken wat jij waarneemt – eerst net dingen uit de natuur, dan ook de mensen. Wat bewerkstelligt het bij jou? Hoe verandert het jouw waarneming?
Water – element van het vloeibare
Water!
Doordringt het vaste.
Stuw door de aderen,
als het bloed in mij.
Verschijningsvorm.
Vloeiend, beweeglijk, stromend
Past zich aan bij de bewegingen van de omgeving
Streeft naar samenbinden.
Streeft naar een algemeen grensvlak (in zich geronde of vlakke)
Het spiegelt de omgeving op dit grensvlak
Vormt stromende vlakken – komt gemakkelijk in beweging en reageert op veranderingen in de omgeving.
Toont veranderende vormen.
Lost stof op en transporteert het.
Stuwkracht - verspreiden
Wat het waarnemen betreft is het mogelijk om hier:
Zich met het waargenomen mee te bewegen, mee te handelen en zich imiterend te verbinden
Kwaliteiten van deze observatie methoden
Binnen en buiten raken hun begrenzing kwijt.
Beweging dat niet zintuiglijk waargenomen wordt, kan beleefd wordt.
Deze wijze van waarneming leidt ons met processen naar de verschijning en brengt ons in een tijdsbeleving.
Het leidt ons naar begrijpen van de innerlijke beweging en gebaar van de verschijning.
Vragen die helpen bij verscherpen van opmerkzaamheid:
Wat neem ik in de beweging waar?
Wat kan jij vaststellen over de richting van bewegen, het tempo, het ritme?
Waar en hoe beleef ik uitbreiding, waar en hoe samenballing?
Waar beleef ik zwaarte? Lichtheid?
Waar en hoe beleef ik spanning?
Vitaliteit?
Samenhang?
Meebewegen
Met mijn lichaam beweeg ik met de vorm van het waar te nemen object mee. Dat geldt evenzeer voor vorm, kleur, klank en beweging. Ook geur en smaak en alle andere zintuiglijke indrukken. Ook de spraak. Bij een object neem ik de tot stilstand gekomen beweging in mij op. In een tijdsproces vervolg ik dan het verdere verloop van het proces.
Ik kan meebewegen zonder uiterlijk te bewegen. Als oefening kan het helpen om de bewegingen na te doen met een werkelijk gebaar.
Ik kan mijzelf samenballen of wijd strekken, ik kan dansen, verstart raken, ontspan, mij dik maken. Stuiteren of mijzelf spits maken. De beweging van een eikenboom laat mij anders bewegen dan een beuk, de vorm van een wijnglas anders als een koffiekan.Als wij ons meer bewust worden van de bewegingen van de dingen in ons beleveniswereld, leren wij ook onze gevoelservaringen bewuster te worden. Of ik een muziekstuk als vrolijk en dansend ervaren, een meubelstuk als robuust en landelijk of fijn en elegant, hangt af van de innerlijke beweging wat het bij mij oproept. Het gebeurt gewoonlijk onbewust.
Men kan de bewegingen ook bewuster leren waarnemen door kunstzinnige activiteiten als euritmie, boetseren en spraakvorming.
Oefeningen om bewegingsgebaren te leren onderkennen bij het waarnemen.

Proberen om met de handen of met het hele lichaam gebaren te vinden voor de volgende:
Versplinteren
Warm worden
Stralen
Verdorren
Klein worden
Groot worden
Blijf het steeds oefenen, ook met andere woorden.

Probeer het ook met een zich opende bloem, een ontkiemende plant.

Neem potlood en papier; met de ene hand een appel vasthouden. Het grondig en doortastend onderzoeken - voelen, ruiken, proeven, horen – terwijl jij tekent wat de appel “doet”Probeert na gaan wat jij innerlijk doet als jij een rekensom maakt (10 + 20 + 20 – 10)

Aan de hand van bv. Een poskaart of een ander plaatje, teken de bewegingen na (in beiden richtingen)

Bekijk een aantal houders en of meubelstukken goed. Imiteer de beweging met je lijf. Kies tegenstellende objecten (rond/hoekig, eenvoudig/gecompliceerd)


Lucht – het gasvormige element
Verschijningsvorm
Terugwijkend, de stoffelijke verschijningsvormen ruimte gevend.DoorzichtigUiterlijk onzichtbaar.Indirect zichtbaar in de beweging – blad beweging, vogelvlucht.Troebelheid maakt verschillende kleuren zichtbaar in de atmosfeer.Klank, spraak, reuk, vochtigheid en fijn stof wordt getransporteerd.
Bied ruimte voor alle weersverschijnselen.


Waarneming

Dringt eigen zijn en doen naar voren.
Geeft ruimte aan de anderen verschijningen.
Het luchtelement helpt de zintuiglijk waarneembare fenomenen om aan mij hun kwaliteiten te tonen.
Veelkleurige verschijning – vorm kan in kleur, kleur in muziek, muziek in beweging omgezet worden.

De verschijning kan zich als beeld en in zijn karakteristieke kwaliteit uitspreken, kan tot openbaring komen. Het leidt naar de zielensubstantie van het gebaar.
Versterking van opmerkzaamheid en een zuigende, ruimte creërende vraaghouding is noodzakelijk, om een juist antwoord te verkrijgen.

Vragen die helpen om de oplettendheid te scholen.

Hoe zit het in elkaar, hoe werkt het?
Hoe voelt het? Hoe klinkt het, welke kleur heeft het?
Welke stemming wekt het bij jou op?
Welke atmosfeer wordt daardoor gecreëerd?, wat doet het aan de omgeving?
Hoe voelt de ruimte zielsmatig aan?

Oefeningen om de kwaliteiten en atmosfeer van een verschijning te doorgronden.

Neem een object en kijk er goed naar – voel jij hoe jij met de vormen meebewegen?
Welke landschap of omgeving zou hierbij passen?
Welke lichtval? Welke tijd van de dag? Welke weersomstandigheid?
Als ik het als muziek of klank zou horen, hoe zal het klinken? Kan jij het zingen?
Als ik het alleen als kleur zouden zien, hoe zag het er dan uit? Maak een snelle schets.
Welke reactie en gevoel roept het in mij wakker? Probeer om persoonlijke subjectieve genoegens of ongenoegens buiten beschouwing te laten en zuiver objectief te onderscheiden welke gevoelens of reacties gewekt worden.
- waartoe roept het jou op, wat zou jij het liefst willen doen.
a) wanneer jij er innerlijk tegenover staat.
b) wanneer ik mij in het object verplaatsen.
Doen het nu met mensen: Denk aan iemand ( een kind uit jouw groep) hoe zal het zijn als die persoon een blom, een Tekstkleurdier, een auto, een kleur, iets om te eten zouden zijn? Kunnen wij raden wie bedoeld worden?

Vuur, het element van de warmte
Die warmte element werkt:
In de verschijning penetrerend.
Uit die verschijning loskomend en het geestelijke wezen vrijmakend.
Het is het moeilijkste element om te begrijpen. Het is al minder zintuiglijk waarneembaar.
Vragen om de oplettendheid te scholen
Wat of wie wilt zich hier tot uitdrukking brengen?
Idee
Substantie

Het wezenlijke dat in de verschijning gestalte aanneemt en tot uitdrukking komt, laat zich niet zomaar met woorden beschrijven.
Aldus Goethe: Wij worden werkingen gewaar, en door alle werkingen ervan in de tijd samen te vatten, kunnen wij het wezen omschrijven. Tevergeefs proberen wij om het karakter van een mens te omschrijven; als men echter al zijn handelingen samenvatten, dan treedt een beeld van zijn karakter naar voren.
Bij de vraag naar het wezenlijke is het innerlijke beelden en ervaringen die ons ontmoeten. Het wordt duidelijker wanneer wij, in plaats van abstracte beschrijvingen met woorden, het op een kunstzinnige wijze tot uitdrukking laten komen. Het wezenlijke is niet te omschrijven maar de ontmoeting daarmee kan zijn gestalte tot verschijning brengen.

Oefeningen om een antwoord te vinden nadat de waarneming heeft plaatsgevonden:

Geeft de waargenomen een sprekende titel
Probeer een klein miniatuur te scheppen, waaruit het wezen van het waargenomen zijn oorsprong zouden kunnen hebben. Het kan een zin zijn, een gedicht, een beeld, een tekening of een klein melodie.


  http://www.dynamisch.nu

Op deze site is er heel veel te vinden om de onderzoeker te helpen om noukeurig op een fenomenologische wijze te leren waarnemen en te mediteren op een wijze waarbij de waarnemer zich innig leren verbinden met de studie-object en van daaruit ingevingen leren ontvangen in de geestelijke achtergrond of antwoord op de vragen waarmee hij of zij leeft.